Nadat vorig jaar al duidelijk werd dat verhongering de grootste doodsoorzaak was van de hoge bruinvissterfte in de Oosterschelde blijkt nu dat een grote afname van de prooivissen van de bruinvis hiervan de achterliggende oorzaak is.

Dode bruinvis

Dode bruinvis

Ongeveer 50 % van alle dood gevonden bruinvissen in de Oosterschelde sterven door verhongering of vermagering blijkt uit onderzoek gedaan aan de Veterinaire faculteit in Utrecht. Maar hoe kan dit nu? Is er simpelweg niet genoeg vis meer, vangen de aanwezige vissers of de zeehonden soms alles weg? Of kan wellicht verstoring een mogelijke oorzaak zijn? Stichting Rugvin is het afgelopen jaar in deze vraag gedoken en heeft met gegevens van de Stichting Anemoon en uit de visserijwereld geconcludeerd dat de aantallen, van zo goed als alle prooivissen die de bruinvissen in de OS eten, de laatste jaren sterk zijn afgenomen in aantal en in biomassa. Wijting, kabeljauw, haring en dikkoppen (een grondelachtige) kennen sinds een tiental jaren een sterke achteruitgang. Van de wijting komen slechts nog vooral de zeer grote exemplaren voor, te groot voor de bruinvis. Maar vooral de afname van de dikkoppen (grondelachtige) is funest voor de jonge bruinvissen die na de zoogtijd in het najaar grote moeite hebben hun eigen voedsel te vangen. Kortom er is simpelweg te weinig voedsel voor de bruinvissen en voor de juvenielen is de sterfte het grootst.
Dat zeehonden niet het zelfde probleem ondervinden, ze leven namelijk gedeeltelijk van de zelfde vissoorten is te verklaren dat zeehonden veel makkelijker de OS verlaten, door de Oosterscheldekering heen, dan dat bruinvissen dit doen. Die durven door het hier gemaakte lawaai veelal de OS niet te verlaten (St. Rugvin 2013).
Maar hoe is de afname van de prooivissen te verklaren? Dit wordt in ieder geval niet veroorzaakt door de geringe visserij of door de aanwezige zeehonden. Het antwoord ligt waarschijnlijk besloten in het begin van de voedselketen waar de Japanse Oester (een door mensen uitgezette exoot) veel voedsel consumeert waarvan ook de meeste vislarven leven en er zodoende te weinig overblijft voor hen om op te groeien. Het feit dat de instroom van voedselrijk rivierwater in de Oosterschelde ook al jarenlang is geblokkeerd door alle sluizen en keringen, maakt het er ook niet beter op. Een mogelijke oplossing zou dus kunnen zijn het aantal Japanse oesters te laten afnemen en/of een toename van voedselrijk rivierwater in de Oosterschelde.

Bruinvis in Oosterschelde (Foto E. Schrijver)

Bruinvis in Oosterschelde (Foto E. Schrijver)


Gelukkig zijn er nog steeds enkele tientallen bruinvissen in de Oosterschelde, hoeveel precies wil Stichting Rugvin met de volgende telling deze zomer gaan vaststellen a.d.h.v. hun jaarlijkse telling.

Het volledige rapport is hier te downloaden.