De Zeeuwse walvis

Wat is de Zeeuwse Walvis?

De Zeeuwse walvis, is de naam voor deze interactieve folder over de bruinvis in de Oosterschelde!  

Deze folder beschrijft de bruinvis, Nederland en Zeelands meest talrijke walvisachtige. Aan de hand van de folder en de informatie hier op de website nemen we je mee het water van de Oosterschelde op en laten we je kennis maken met deze Zeeuwse Walvis. 

We laten je kennis maken met alle facetten van deze kleine walvisachtige. “Wedden dat je ze daarna in het wild wilt zien én horen?” Want dat kan: walvissen kijken en luisteren in Nederland, hier in Zeeland, op en rond onze eigen Oosterschelde!

Deze digitale Zeeuwse Walvis folder bestaat uit vier delen. Je bevindt je nu in deel 1!:

  1. Wat is de Zeeuwse walvis en wat is een bruinvis?
    1. Hoe zien ze er uit,
    2. Wat eten ze,
    3. Hun plaats in het dierenrijk, 
    4. De bruinvis in de loop der jaren. 
  2. Wil je meer weten over de verspreiding van de bruinvis, de aantallen wereldwijd en in de Oosterschelde, ga dan naar de volgende pagina de Oosterschelde 
  3. Wil je graag weten hoe en waar je de bruinvissen kunt zien en horen ga dan naar “Hoe en waar bruinvissen spotten” .
  4. Wil je actief met en voor de bruinvis worden klik dan op “Doe ook mee!”.
De Zeeuwse Walvis; interactieve folder van Stichting Rugvin

De gewone bruinvis

De gewone bruinvis (Phocoena phocoena) is een zoogdier (en dus geen vis!) en is de kleinste en meest voorkomende walvisachtige in de Noordzee. Ook is het de enige walvisachtige die je als een vaste bewoner van de Oosterschelde mag beschouwen. 

Bruinvissen zijn niet zulke acrobaten zoals veel dolfijnsoorten wel zijn en hun kleur is ook  onopvallend. En toch, als je je verdiept in de bruinvis, ontdek je onverwachte en bijzondere eigenschappen van dit dier.

Het leven van de bruinvis wordt door onderzoek en waarnemingen stukje voor stukje boven water gehaald. Niet alleen omdat het interessant is, maar het helpt ook hen dan beter te beschermen. En dat is helaas hard nodig. Momenteel is de bruinvis het in de Noordzee geen bedreigde diersoort, maar de verstoringen en bedreigingen nemen in omvang en intensiteit toe. 

Bruinvis in de Oosterschelde (E. Schrijver)

Hoe zien bruinvissen er uit? 

Bruinvissen zijn stevig gebouwde dieren met een stompe snuit. Midden op de rug bevindt zich een ongeveer 15 cm grote, driehoekige rugvin. Daarnaast hebben ze een brede horizontale staartvin, welke typisch is voor walvisachtigen. Verticale staartvinnen duiden op vissen. De kleine borstvinnen bevinden zich op de flanken vlak achter de kop.

Bruinvissen hebben geen kieuwen maar longen en één blaasgat dat boven op hun hoofd zit. Ze moeten boven water komen om adem te halen. Aan het oppervlak openen ze het blaasgat en ontsnapt de lucht vanwege de hogere druk in het dier. Daarna wordt actief lucht ingeademd. Dat doen ze om de paar minuten.

Bruinvis met open blaasgat (F. Zanderink)

Volwassen vrouwelijke bruinvissen worden tussen de 160 cm en 190 cm lang en wegen gemiddeld 55 kg. Volwassen mannetjes zijn gemiddeld iets kleiner en worden tussen de 145 cm en 180 cm en wegen maximaal 50 kg. Pasgeboren kalfjes zijn tussen de 65-70 cm lang en wegen ca 5 kg (Lockyer 2003).

Ter vergelijking: Bij mensen zijn pasgeboren baby’s ongeveer 46 en 54 centimeter lang en wegen tussen de 2,5 en 4 kilogram. Dus een bruinviskalf is best een flink jong!  De blauwe vinvis is de grootste walvis en heeft een lengte van gemiddeld 27 m, met een absoluut gemeten maximum van 33 m. De kleinste walvisachtigen zijn de Nieuw-Zeelandse Hectordolfijn en de Vaquita bruinvis, beiden meten maximaal 1,50 m: iets kleiner dan onze gewone bruinvis.

Over de kleur van de bruinvis valt de twisten. De rug van de bruinvis lijkt meestal donkergrijs, zijn buik grauwwit. Afhankelijk van de lichtomstandigheden lijkt de rug, rugvin en staart van de bruinvis boven water een andere kleur te krijgen. Dit kan variëren van zwart, grijs tot zelfs gelig en (licht)bruin. De rug is meestal het deel dat je boven water te zien krijgt. Ook loopt er een bij sommige dieren een vage, grijswitte lijn van de mondhoeken naar de borstvinnen.

Alle tandwalvissen, dus ook de bruinvis, hebben een gebit dat geen kiezen kent en alleen bestaat uit tanden. Ze kunnen dus niet kauwen!  Bruinvissen hebben 22 tot 28 paar spatelvormige tanden in de bovenkaak en 21 tot 25 paar in de onderkaak. Na het vangen van een prooi zuigen ze deze op en slikken ze het in zijn geheel door. Wanneer jongen melk drinken bij hun moeder rollen ze hun tong op in een soort U-vorm en zuigen ze zo de melk op.

De vastgestelde maximale leeftijd van een bruinvis is 24 jaar. Het overgrote deel, 95%, van de dieren wordt echter niet ouder dan 12 jaar. De bekendste bruinvis van de Oosterschelde, Willemien, is minimaal zo’n 12 jaar oud geworden († 2020).   

Bruinvissen zijn goede zwemmers maar zijn bescheiden als het gaat om diep duiken of om hoge snelheid. De dieren worden zelden waargenomen in gebieden die dieper zijn dan 200 meter.

Door de staart verticaal op en neer te bewegen duwen de dieren zichzelf voort. De kracht hiervoor komt met name uit het onderste deel van de rug. Hoe gespierder die onderrug is, hoe sneller de dieren zijn. Dat is goed te zien bij een andere bruinvis, de Dallbruinvis. Dit is de snelste kleine walvisachtige, die op topsnelheid 55 kilometer per uur haalt en een bodybuilder-achtige bult spieren op het achtereind heeft. De gewone bruinvis heeft dit niet en is dan ook een stuk langzamer: hij zwemt maximaal 20-22 kilometer per uur. (Zie ook: hoe bruinvissen te  spotten en te herkennen)

Moeder bruinvis met kalf
Onderkaak met tanden burinvis (Foto Faculteit Diergeneeskunde Utrecht)
Bruinvis duikt onder (F. Zanderink)

Zicht, reuk en gehoor/communicatie

Het zicht van bruinvissen is enigszins beperkt. Dat komt omdat ze niet kunnen focussen. Ze hebben last van bijziendheid, zowel onder als boven water. Ze zien dichtbij dus beter dan veraf. Daarbij komt ook nog eens dat het oppervlaktewater vaak troebel is. Ze zijn echter zeker niet slechtziend: een waarneming doen op een afstand tot zo’n 12 meter is boven of onder water geen probleem. (R. Kastelein) 

In de loop van de evolutie zijn alle tandwalvissen en dus ook de bruinvis, hun reukvermogen kwijtgeraakt. De zenuwbaan waarmee de hersenen de reuk verwerken hebben zij niet (meer). Baleinwalvissen hebben nog wel enigszins een reukvermogen.

Het uitwendige oor zoals wij mensen dat kennen ontbreekt bij alle walvissen. Extern geluid ontvangen zij op een heel andere manier. Walvissen ontvangen de aanwezige geluidstrillingen over het hele lichaam en deze worden vervolgens via speciaal vetweefsel doorgegeven aan de hersenen.

Daarnaast kunnen tandwalvissen met behulp van ultrasoon geluid hun omgeving waarnemen, hun voedsel vinden en zover we weten we weten onderling (beperkt) communiceren. In combinatie met hun gezichtsvermogen kunnen bruinvissen dus prima waarnemen.

Dit ultrasone geluid ligt buiten het gehoor van mensen. Gezonde mensen horen geluid tussen de 20 Hz en 20 kHz. Het ultrasone geluid dat bruinvissen produceren ligt tussen de 120 en 140 kHz. Je kunt dit vergelijken met hoe vleermuizen hun insecten vangen. Met Studio Bruinvis kun je op een unieke wijze de in de Oosterschelde levende bruinvissen live beluisteren.

Het ultrasone geluid wordt in de schedel met behulp van de zogenaamde fonische lippen en de meloen geproduceerd. De fonische lippen liggen direct onder het blaasgat. Lucht van buiten wordt via de lippen naar de meloen geperst. Dit olieachtige orgaan ligt aan de voorkant van de kop, boven op de snuit. Het zorgt ervoor dat het ultrasone geluid naar voren gericht kan worden, het kan enkele honderden meters ver komen; vergelijk het met de straling van een lichtbundel van de koplamp van een auto. Als dit geluid ergens tegenaan botst – de bodem, een rots of een vis – dan keren de trillingen terug. In de onderkaak worden die opgevangen en doorgestuurd naar de hersenen. Het dier weet dan precies wat er voor hem is en hoe ver dat dit van hem af is. 

Bruinvis aan het wateroppervlak Oosterschelde (E. Schrijver)
Hoofd van tandwalvis met meloen en fonische lippen Bron: https://elifesciences.org/articles/05651
Schematische voorstelling Studio Bruinvis

Voedsel

Bruinvissen jagen op vis zoals grondels (m.n. prooivis voor de juveniele dieren), wijting, haring, sprot en soms ook een inktvis. Het menu is sterk afhankelijk van het aanbod. Bruinvissen in de Noordzee of Oostzee eten voor een deel andere vissoorten dan hun soortgenoten in de Oosterschelde.

Bruinvissen zijn naar schatting wel 75 % van hun tijd bezig met foerageren (het zoeken van en nuttigen van voedsel (Dr. A. Hall). Dat moet ook wel, want ze hebben bijna continu honger. Door hun relatief dunne speklaag verbranden ze veel vet om warm te blijven. Als ze drie dagen niets zouden eten komen ze te overlijden. 

Zwarte Grondel (Gobius niger) (H. Debelius)

Wat zijn walvissen en walvisachtigen?

Onder de term walvisachtigen (Cetaceeën) verstaan we alle grote walvissen, zoals de potvis en de bultrug en ook alle dolfijnachtigen en bruinvissoorten.

Momenteel zijn er 90 soorten walvisachtigen bekend. Dit aantal wisselt enigszins per gebruikte indeling (wetenschappelijk boek/artikel) en omdat de laatste jaren enkele ondersoorten als aparte soorten zijn erkend (bijvoorbeeld de bultrugdolfijn (Sousa plumbea) en in 2020 de Rice’s walvis (Balaenoptera sp). Daarnaast worden er nog steeds nieuwe soorten ontdekt (zoals de roze rivierdolfijn in 2011 en de Burrunandolfijn in 2014). Helaas sterft er ook af en toe een soort uit (Baiji: uitgestorven verklaard in 2007). Van sommige soorten dolfijnen kennen we slechts enkele dode exemplaren die ooit zijn aangespoeld.

Die 90 soorten worden opgedeeld in 15 soorten baleinwalvissen (onderorde Mysticeti) en 75 soorten tandwalvissen (onderorde Odontoceti). Deze tweedeling is niet alleen gebaseerd op het verschil in het hebben van baleinen of tanden, maar ze verschillen ook op andere vlakken (zie tabel 1).

Tandwalvissen

Onder de tandwalvissen vallen de potvis, alle dolfijnachtigen en alle bruinvissoorten. De term “dolfijn” is een term die onder het grote publiek goed bekend is en ook vaak in titels van boeken en natuurgidsen terugkomt (“walvissen, dolfijnen en bruinvissen”), maar ook onvolkomenheden kent en vaak verwarrend werkt. Zo behoort de orka tot de echte dolfijnen en is deze tandwalvis nauwer verwant aan de tuimelaar (bekendste doflijnachtige) dan bijvoorbeeld de groep van spitssnuitdolfijnen en de rivierdolfijnen.

De potvis wordt als enige tandwalvis gezien als een echte grote walvis. Dit is in de Engelse taal anders; daarin worden alle soorten walvisachtigen ‘whales’ genoemd.

Lange tijd ging men uit van zes soorten bruinvissen. Momenteel worden zeven soorten bruinvissen (Phocoenidae) onderscheiden. Naast de gewone bruinvis in onze Nederlandse wateren zijn er dus nog zes soorten bruinvissen.

 

Twee bultrugdolfijnen voor de kust van Knysna, ZA. (Foto: F. Zanderink)
Tabel 1: Overzicht aantallen walvissen

Verschil dolfijnen en bruinvissen

Bruinvissen zijn géén dolfijnen, maar op het eerste oog verschillen dolfijnsoorten en bruinvissoorten niet heel veel. Dolfijnen hebben vaak een spitse snuit en zijn vaak groter dan bruinvissen. Veel dolfijnensoorten leven in grote sociale groepen, terwijl bruinvissen vaak individueel of in kleine groepjes leven. Het belangrijkste (taxonomische) verschil is de vorm van de tanden. Dolfijnen hebben spitse, kegelvormige tanden en bruinvissen hebben spatelvormige tanden.

Gebit bruinvis (Faculteit Diergeneeskunde Universiteit Utrecht)
Gebit dolfijn (Faculteit Diergeneeskunde Universiteit Utrecht)

Afstamming

Alle walvissen stammen af van landdieren. Fossiele voorouders zoals de Pakicetus, Rodhocetus en Articetus, die 47 miljoen jaar geleden leefden, waren amfibisch en hadden nog vier poten en waren bedekt met haren. De eerste echte walvis heet Basilosaurus en leefde in het Eoceen – Oligoceen, 41 tot 35 miljoen jaar geleden.

 

De Basilosaurus was een van de eerste geslachten van walvissen (Bron: Wikipedia) https://www.britannica.com/animal/basilosaurid

Verwante diersoorten

Opmerkelijk is het dat het nijlpaard (Hippopotamus amphibius) en het dwergnijlpaard (Hexaprotodon liberiensis), enigszins verwant zijn aan de walvisachtigen. Naast het feit dat ze allemaal in het water leven hebben ze ook dezelfde evolutionaire voorouders en is hun unieke maagstelsel eveneens vergelijkbaar.

Nijlpaarden in iSimangaliso, Zuid Afrika (F. Zanderink)

De bruinvis in historisch perspectief

De bruinvis is geen vis en het dier is ook niet bruin. Waarom heeft hij dan wel die naam?

Het gebeurt wel vaker dat dieren een naam krijgen die eigenlijk niet klopt. Een koalabeer is geen beer en een nijlpaard is geen paard. Maar bij de walvissen maken we er als mens helemaal een potje van. De term klopt niet: walvissen zijn geen vissen maar zoogdieren, net als potvissen en bruinvissen. In oude literatuur kun je de bruinvis zelfs als echte vis beschreven tegenkomen.

Dat bruinvissen vaak als vissen beschouwd werden blijkt ook uit het feit dat bruinvissen (vroeger) in de katholieke vastentijd en op vrijdagen gegeten mochten worden (net als bevers); het was namelijk geen vlees, maar vis. En de naam helpt natuurlijk daar ook niet bij.

In het verleden werden bruinvissen ook wel “zeevarkens” of “meerzwijnen” genoemd. Deze naamgeving zie je ook terugkomen in het Duits: Schweinswal of Meerschwein, in het Frans: Marsouin, en in het Middeleeuwse latijn porcopiscus (from Latin porcus pig + piscis fish), dat weer in het Engels overgenomen is als porpoise (Sea pig).

Hoewel sommige mensen het dier vroeger ongeschikt voor consumptie vonden, is er de afgelopen eeuwen wel degelijk op de bruinvis gejaagd. Historische beschrijvingen melden zelfs dat er specifieke jacht op het zeevarken of meerzwijn werd gemaakt. Zo veel zelfs dat er aan de Belgische kust in 1098 al een vangstregulering werd ingesteld. Ook zijn er recepten over teruggevonden (“Notabel Boecxken van cokeryen”, uit 1514; op pagina 25 staat hoe je het bruinvisgerecht “Meerswijn metten pepere” kunt maken.  https://www.dbnl.org/tekst/_not001nota01_01/_not001nota01_01.pdf 

De jacht was echter niet alleen vanwege het vlees, maar ook voor de olie (vet) om onder meer olielampen op te laten branden. Daarnaast zijn er verwijzingen voor het gebruik van de bruinvis in geneesmiddelen. Zeker is dat het dier gevangen werd, soms werd er actief op gejaagd, soms was het bijvangst.

Eeuwen geleden had je in Katwijk (Zuid-Holland) zelfs in bruinvissen gespecialiseerde vissers, de zogenaamde ‘varkevissers’. In deze voormalige zeehavenstad vind je deze term nog als straatnaam en veel mensen dragen deze achternaam. Het Belgische plaatsje Wenduine had een geharpoeneerde bruinvis in het gemeentewapen. Tegenwoordig is deze plaats onderdeel van de gemeente De Haan en ook daar tref je nog de bruinvis met twee harpoenen aan.

Het is ons niet bekend of er in Zeeland ook jacht werd gemaakt op bruinvissen, wel op zeehonden. 

Zeeuwse herinneringen vanaf het water

Vanuit beschrijvingen en aantekeningen A.B. van Deinse en J. Viergever in tijdschrift (“het Zeepaard” van de strandwerkgemeenschap kom je vanaf 1941 tot ruim na de Tweede wereldoorlog meerdere beschrijvingen tegen. Er wordt onder andere gemeld dat: “er weinig bruinvissen worden gezien die op de stranden zijn aangespoeld. Zeker op het einde van de oorlog en kort er na.” “Het zijn er erg weinig en dat is geen indruk maar een feit” stelt Hoogleraar A.B. van Deinse in 1951 in het tijdschrift.  

In het boek “Oosterschelde, het leven in en om het water” van Wim Wolff en Jankees Post uit 1979 wordt geschreven dat bruinvissen eens algemeen voorkomend waren in de toenmalige zeearm. Ook schreven zij dat de dieren op een dag verdwenen waren en dat eigenlijk niemand had gemerkt dat ze in aantal achteruitgingen. De reden voor deze verdwijning werd niet duidelijk voor de schrijvers. Wel komt dit overeen met waarnemingen op de oostelijke en zuidelijke Noordzee in dezelfde tijdsperiode, waarin ook geen bruinvissen meer werden waargenomen. Men wijdde dit toentertijd aan vervuiling, vergiftiging, overbevissing en bijvangst in vissersnetten. 

Deze veronderstelling wordt bekrachtigd door de voor deze informatie geïnterviewde schippers, vissers en mosselkwekers die op en rond de Oosterschelde werkten en woonden. Zij vertelden onder meer dat in de jaren zestig van de vorige eeuw tot ergens in de jaren zeventig de bruinvis een normale diersoort was die je regelmatig in het water van de Oosterschelde tegenkwam. Vanaf eind jaren zeventig zagen zij deze dieren niet meer. Ruim voor en na de voltooiing van de Oosterscheldekering in 1986 werden er door hen geen bruinvissen in de Oosterschelde meer waargenomen. De geïnterviewden die toen ook nog veel op het water waren, herinneren zich ook dat zij pas eind jaren negentig weer voor het eerst weer een bruinvis zagen aan de binnenkant van de Oosterscheldekering. Zij menen dat er momenteel meer bruinvissen in de Oosterschelde zijn dan in de jaren zestig-zeventig. Ook vertelden zij dat er door veel mensen niet of nauwelijks op de bruinvissen werd gelet. De dieren deden er niet echt toe, hoewel ze voor vissers wel te boek stonden als concurrenten. 

De geboorte van een dolfijn of bruinvis? Uit La nature et diversite des poissons, door Pierre Belon du Mans (1555) (Teylers museum)
Gemeentewapen van De Haan (B)
Olielamp brandend op vetten van walvisachtigen
Oosterscheldekering vanaf de binnenkant (F. Zanderink)

De Zeeuwse Walvis wordt mede mogelijk gemaakt door het Nationaal Park Oosterschelde, Stichting Rugvin en Ocean in Motion.  

© De teksten van de Zeeuwse Walvis zijn geschreven door Stichting Rugvin/ Frank Zanderink en mogen gedeeld en gebruikt worden, mits hierover vooraf is gecommuniceerd en minimaal een bronvermelding is gegarandeerd. 

© Alle foto’s zijn gekoppeld aan de rechten van de fotograaf en Stichting Rugvin. 

U doneert aan: Stichting Rugvin

Hoeveel zou u willen bijdragen?
€10 €20 €30
Wilt u een regelmatige donatie doen? Ik wil graag bijdragen
Hoe vaak wilt u deze donatie herhalen? (inclusief deze betaling)
Naam*
Achternaam*
Email *
Telefoon
Adres
Eventuele opmerkingen
paypalstripe
Loading...