Oosterschelde

In de jaren tachtig werd de Oosterscheldekering gebouwd: een bouwwerk van negen kilometer lang dat de Oosterschelde bij zware storm afsluit van de Noordzee. Normaal staan alle 42 meter brede poorten open en kan het zeewater bij eb en vloed vrijelijk naar binnen of buiten stromen. Het is niet bekend of er in de jaren tachtig al bruinvissen aanwezig waren in de Oosterschelde.

De Oosterscheldekering

Toen de Zeeuwse wateren nog in verbinding stonden met open zee, waren waarnemingen van bruinvissen blijkbaar heel gewoon. Wijlen Hans Warren, die aan de Westerschelde woonde, schreef in zijn natuurdagboek “Ik ging naar de Noordnol” Natuurdagboek 1936-1942 in 1940: “Een school voorbij zwemmende bruinvissen bracht veel commotie teweeg onder de meeuwachtigen. Ze gingen vlak boven het water vliegen, allemaal in dezelfde richting. Tegen de tijd dat de rugvinnen van de bruinvissen boven water zouden komen, plonsden er tientallen sterns gelijk neer. Er waren ook dwergmeeuwen bij, jonge en oude met gitzwarte, witgezoomde ondervleugels. Ongetwijfeld jagen de duikende dieren veel vissen voor zich uit.

In 2008 besloot Rugvin in samenwerking met het Wereld Natuur Fonds Nederland, haar werkveld te verbreden door onderzoek te verrichten in de Oosterschelde. De aanleiding hiervoor was de aanwezigheid van een onbekend aantal bruinvissen en de geringe kennis over het doen en laten van deze dieren in dit gebied. Al enkele jaren bleek uit eigen observaties en die van anderen (schippers en medewerkers van het strandingsnetwerk) op en rond de Oosterschelde dat er een aantal bruinvissen in de Oosterschelde aanwezig was en dat deze groep in omvang min of meer stabiel was. Ook werd deze groep bruinvissen gedurende het hele jaar waargenomen.
Het is uniek dat bruinvissen worden waargenomen buiten de zee in een deels afgesloten estuarium. Het is onduidelijk wat de invloed is van de unieke omgevingsfactoren waarin de bruinvissen leven.

Ter verkenning werden er allereerst een aantal educatieve vaartochten georganiseerd met een hydrofoon aan boord. Met dit instrument werd onder water geluisterd naar de geluiden die de bruinvissen maken. Al snel was duidelijk dat het redelijk eenvoudig was om naar de dieren te luisteren en deze ook te vinden met behulp van de hydrofoon. Tegelijkertijd kwamen er ook meer vragen boven, zoals:

1. Hoeveel dieren leven er in de Oosterschelde en groeit dit aantal?
2. Planten de bruinvissen zich hier ook voort?
3. Verblijven de dieren het jaar rond en zo ja waarom blijven ze dan achter terwijl hun soortgenoten in de Noordzee in het vroege voorjaar naar het noorden migreren?
4. Hoe frequent gaan de bruinvissen door de Oosterscheldekering? En in hoeverre vormt deze een belemmering?

Om deze vragen te beantwoorden werd besloten om een drietal C-pods aan te schaffen en deze rond de kering in het water af te hangen (zie C-pods), een bruinvistelling te organiseren (zie Scans), in het kalfseizoen uit te kijken naar jong geborenen en achtergrondinformatie te achterhalen over onder andere de kering, de aanwezigheid van de diverse vissoorten, de stroming en de getijden.

Inmiddels is het akoestisch onderzoek met de C-pods in het voorjaar van 2014 afgesloten , worden er jaarlijks, vanaf 2009, tellingen (scans) verricht en onderzoeken we momenteel ook de achterliggende redenen voor de hoge mortaliteit onder bruinvissen in de Oosterschelde.

Naar boven