Grijze zeehond valt bruinvis aan (Foto: Thibaut Bouveroux)

Deze week verscheen in het wetenschappelijk tijdschrift Lutra het artikel “Grey seal attacks on harbour porpoises in the Eastern Scheldt: cases of survival and mortality“, dat over de grijze zeehond aanvallen op bruinvissen in de Oosterschelde gaat. Het is geschreven door Annemieke Podt (Stichting Rugvin) en Lonneke IJsseldijk (faculteit Diergeneeskunde Utrecht).  

Het is al langer duidelijk dat grijze zeehonden (Halichoerus grypus) jagen op bruinvissen. Het is zelfs één van de grootste doodsoorzaak onder bruinvissen in Nederland. Naast de dodelijke aanvallen blijken er ook bruinvissen te zijn die een aanval overleven. Dit is vastgelegd in de Oosterschelde, waar deze twee zeezoogdieren ook voorkomen.

Bruinvis gefotografeerd met littekens van door grijze zeehond aangebrachte wonden. (Foto’s Annemieke Podt)

Foto’s van bruinvissen worden door Stichting Rugvin al jaren verzameld binnen het Foto Identificatie (ID) project. In de database van het project werden bij vier levende individuele bruinvissen die in de Oosterschelde zwemmen littekens aangetroffen. Deze littekens tonen sterke overeenkomsten met eerder beschreven wonden, welke door grijze zeehonden worden toegebracht. En de wonden bij de levende bruinvissen in de Oosterschelde waren volledig genezen.

Bruinvis in Oosterschelde met littekens door grijze zeehond (Foto: Annemieke Podt)

 

Naast overlevers zijn er in de Oosterschelde ook bruinvissen die het niet redden. Het is aangetoond dat sinds 2006 minimaal 10 dode bruinvissen zijn gestrand in de Oosterschelde als gevolg van een aanval door een grijze zeehond. Deze predatiedreiging voor de bruinvis in combinatie met de schaarse voedingsbronnen in de Oosterschelde impliceert een aanzienlijk druk op het overleven van de bruinvis. Toch biedt de ontdekking dat een bruinvis een aanval kan overleven ook perspectief. Deze bruinvissen kunnen van hun aanval geleerd hebben en mogelijk strategieën ontwikkelen om zeehonden in de toekomst te ontwijken.

Lees hier het Gezamenlijk persbericht van de faculteit Diergeneeskunde en Stichting Rugvin.